Mensen bidden voor alles en nog wat. Dat mag. Maar het is niet goed.
De grote schrijver Gerard Reve (God hebbe zijn ziel) kwam ooit een 'reisgebed' tegen van een zekere pater Henri de Greeve. In dat gebed stonden onder meer de volgende passages*:
'Verleen ons, Heer, een voorspoedige reis en kalm weder, opdat wij, door uw heilige engel vergezeld, behouden het doel onzer reis mogen bereiken en eindelijk ook de haven van het eeuwige leven mogen binnengaan.'
En: 'Wij smeken u, Heer, verhoor onze gebeden en maak de weg van uw dienaren veilig en voorspoedig, opdat wij bij alle wisselvalligheden van dit leven, altijd door uw hulp beschermd worden.'
Bovenstaande woorden schoten Reve in het verkeerde keelgat. Hij schreef de pater een brief:
'Waarde vader,
Ik ben nog nooit een gebed tegengekomen dat mij niet, wegens zijn hebberige toon, met weerzin vervulde. Die weerzin geldt ook uw reisgebed (...). Wie op reis gaat, bestede zijn tijd liever aan bijvoorbeeld het laten controleren van remmen en richtingaanwijzers, dan aan dit infantiel gedoe.
Ik zou eigenlijk wel eens een gebed onder ogen willen krijgen, dat God zoekt in plaats van Hem, om van alles en nog wat, aan Zijn kop te zeuren. Uw gebed heeft, volgens mij, met geloof niets te maken, want waarachtig geloof is belangeloos en vraagt niets, en smeekt zeker geen onheil af over anderen: want het kan niet overal tegelijk mooi weer zijn, en we weten evenzeer dat elke dag, onherroepelijk, een aantal ongelukken gaat brengen. Welnu: als men voor zichzelf goed weer of een veilige tocht afsmeekt, verzoekt men God dus de naaste met tent en al te laten wegregenen, respectievelijk zich te pletter te laten rijden, want iets in de trant van 'indien het uw wil is dat iemand op de weg omkomt, laat mij dat dan zijn' kom ik in uw gebed niet tegen. Een reisgebed dat God en mens althans waardig genoemd zou kunnen worden, zou ongeveer als volgt luiden:
O God,
Ik sta op het punt, op reis te gaan.
Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is.
Ik wil U liefhebben.
Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of ander kwaad zal berokkenen.
Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken.
Ik sta voor U.
Ik weet, dat ik, of ik veilig zal aankomen, dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden, altijd U toebehoor.
Want in leven en sterven zijt Gij in mij en ben ik in U.
Ik ga nu weg.
Vaarwel, o God.
* N. ter Linden, Alleen maar vrije tijd, een dominee over zijn vak, tweede druk, Amsterdam, 2010.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten